We treffen de dichter aan de oever van zijn geliefde Boekelermeer. Aan de overzijde ontwaren we, verscholen achter rietkragen, de lage daken van het dorpje Boekel. Vredig klotst het water aan de voeten van de dichter tegen de verweerde dijk. Op het meer enkele bootjes. Aalscholvers zijn luidruchtig op zoek naar vis. Verder geen geluid dat de stilte verstoort. Geen GSM-mast die de skyline aantast. Hollandse wolken vullen de brede lucht.
We gewagen van een archaïsch beeld, van een klok die enkele eeuwen geleden is stilgezet. De dichter reageert gelaten. "Je kunt ook volhouden dat we uitkijken op een huisvuilcentrale. Dat de enige verfraaiing van de omgeving voortkomt uit de GAMMA-vestiging waar het tuinhout in de aanbieding is." Hij kijkt peinzend weg over de watervlakte. "Archaïsch. Dat wordt ook wel van mijn werk gezegd. Ik heb er wel wat mee. Ik vind dat geen verkeerd woord. Beter archaïsch dan plat, fantasieloos, schreeuwerig, hol. Laat mij maar mijmeren aan de oevers van dit meer. Ik laat het spektakel met plezier aan anderen."
Krijsende aalscholvers onderstrepen zijn woorden. Even lijkt de verbeelding krachtiger dan de realiteit. Tijdloos kijken we door zijn ogen mee. "Tijdloos. Ook geen slecht woord. In mijn werk streef ik niet naar de actualiteit. Ik ben niet zo’n geëngageerd type. Gedichten zijn niet om boodschappen te bezorgen. Je zult me niet op de markt treffen met een megafoon. Onrecht aanklagen doe ik zelden. Evenmin stel ik misstanden aan de kaak. Soms sluipt de actualiteit mijn werk binnen. Zo heb ik een gedichtje gemaakt over het bont en blauwzeer van de MKZ-crisis. Dan komt de ironie om de hoek kijken. Ironie ligt me wel. Beter met een glimlach aan de kant dan met geheven vuist op de barricade. Het leven, mijn leven in ieder geval, is zo slecht nog niet. Voor mij meer de zonzijde dan de schaduw."
Dat klinkt behoorlijk simpel. Maar zonder leed geen kunst, toch?
Dat is ouderwets. Tochtige zolderkamers zonder licht en warmte. De dood in de ogen kijken terwijl het oeuvre vordert in de race tegen de TBC. Ook TBC is tegenwoordig goed te behandelen, heb ik zelf mogen ervaren. Ik streef trouwens ook niet naar het verleden. Ik ben er, laten we het daarop houden. En ik geef uitdrukking aan wie ik ben. Ik ben niet modern, niet ouderwets, niet van dit, niet van dat. Geen stroming, geen partij. Dat irriteert mensen die handelen vanuit een sterke overtuiging of een geloof. Meestal trouwens het geloof in het eigen gelijk, overigens."
Maar u houdt wel vast aan metrum en rijm. Ook een vorm van geloof.
"Voor mij zijn dat wezenlijke pijlers van dichten. In die zin ben ik ouderwets. Ik geef het meteen toe. Erger nog, ik tel de lettergrepen van mijn regels. Dichten is ook een beetje boekhouden. Metrum en rijm zijn het skelet van het gedicht. Ze zijn noodzakelijk om het gedicht te laten leven, om ervoor te zorgen dat het kan staan, om te voorkomen dat het als een kwal aan land in elkaar zakt en sterft. Ze zijn het vehikel voor de huid en het vlees van de inhoud. Ze geven schoonheid, terwijl je ze, als het goed is, niet ziet. Alleen als de inhoud te mager is, steken ze door het vel heen en gaan ze de beschouwer irriteren. Op het moment dat metrum en rijm opvallen, dat je het gevoel hebt dat woorden zich aan het eind van de zin geposteerd hebben omdat er gerijmd moet worden, heb je het verpest. In het ideale gedicht is geen woord overbodig of verkeerd. Alles heeft zijn natuurlijke plaats. Het ideale gedicht moet nog gemaakt worden. Laten we hopen dat het nooit gebeurt."
Bent u een moeilijk dichter?
"Ik ben zo makkelijk als je me hebben wilt. Het is niet mijn opvatting dat de dichter onbegrijpelijke wartaal behoort uit te slaan. Het idee, dat ontoegankelijke gedichten per definitie beter zijn dan begrijpelijke, is zwakzinnige onzin, puberaal gezever dat warhoofderigheid voor diepzinnigheid aanziet. Ouderwets ook, als je het goed beschouwt. De dichter is ontstaan uit de dorpsidioot, de ziener, onheilsprofeten als Habakuk, het gedrogeerde orakel boven de spleet van Delphi. Het orakel van Delphi was pas diepzinnig in haar onbegrijpelijkheid. Ze bracht iedereen geluk. Daarna kwamen goddank de vooruitgang en de beschaving. Voor mij moet een gedicht toegankelijk zijn. Uitnodigen tot verder lezen. Ik heb niet de bedoeling mijn lezers voor het hoofd te stoten, te schofferen. Dichten is weliswaar worstelen voor de dichter, maar gezoend en gestreeld worden voor de lezer. Ik wil prikkelen, desnoods een beetje prikken, maar daarmee houdt het wel op. Het is verleiding, geen verwonding. Een gedicht moet wel noden tot herlezen en tot nieuwe dingen lezen. Een meerlagige betekenis in zich hebben die bij herlezing tot een vernieuwde inhoud leidt, tot nieuwe ontdekkingen en interpretaties. En die meerlagigheid vloeit voort uit mijn relatie tot de mij omringende wereld"
Dat is meteen een moeilijke, ontoegankelijke zin.
"Niet alles wat ik zeg is gemakkelijk. Het is niet verboden zo nu en dan na te denken. Ook enige kennis helpt om mijn gedichten te begrijpen. Ik sta in de wereld en de geschiedenis, en dat klinkt in mijn werk door. Om even op de schouders van mijn warrige voorouders te gaan staan: Zo heb ik een gedicht geschreven over de profeet Habakuk, of misschien de beeldhouwer Donatello. Ik ben geen lyrische dichter, maar een verhalende. Voor mij is dichten absoluut niet de meest individuele expressie van de meest individuele emotie. Dat levert per definitie de ook voor de dichter zelf meest onbegrijpelijke onzin op. Van die briljante regels die je met een dronken kop vol zwaar liefdesverdriet schrijft na een lange slapeloze nacht, net voor je uitgeput omvalt. Als je wakker wordt is die meest individuele expressie weer door een andere vervangen en blijkt dat je larmoyante bagger hebt geproduceerd. Dichten is daarentegen de redelijk vormgegeven expressie van de redelijk herkenbare emotie. Uit die formulering blijkt reeds, dat ik een epicurist ben, en dat komt ook in mijn werk naar voren."
Gaan we imponeren?
"De dichter zet als een trotse pauw zijn veren op. Ik ben niet helemaal van de straat. Ik beheers een vak. Ik ken mijn klassieken. En alles wat ik weet zal ik gebruiken als het me uitkomt. Maar, zoals reeds eerder gezegd: ik ben een verhalenverteller. Ik vertel verhaaltjes, ter lering en vermaak. Voor mijn gedichten daal ik niet primair in mijn eigen binnenste af, ik introspecteer weinig of niet, maar ik vertel wat ik ervaar. Er is altijd een relatie met de wereld buiten mij, met de zintuiglijke, reële wereld waarin wij allen verkeren en die voor anderen herkenbaar is. Dat is overigens niet ongebruikelijk voor dichters, die verbeelding van de werkelijkheid. Ik sta prettig in de traditie van Vergilius en Dante, die al eens samen op stap zijn gegaan"
Niet de eersten, de besten…
"Als er toch geïmponeerd moet worden, dan maar meteen een vergelijking met de top van de eredivisie. Ook hier zie je weer dat archaïsche trekje van mij. Toen de heren leefden, was ook het Boekelermeer nog water. Maar ach, alles keert terug en straks zwemt er weer zalm in de Rijn."
home