Maar of dit liefde is, of slechts mijn
fascinatie
Wat maakt het uit? Want zelfs mijn
oppervlakkigheid
Brengt mij er toe bij iedere
gelegenheid
Het lot te danken voor jouw wezen en
jouw gratie
De zachte welving van jouw bil,
manifestatie
Van been dat overgaat in rug, van
tastbaarheid
Van schoot die via buik in zachte
lijflijkheid
De tweeling van jouw borsten biedt ter
contemplatie
Maar eerst en steeds de spanning van
het bovenbeen
Atletisch op het eerste oog, zo zacht
van binnen
Vanaf de tere knie, gedragen door de
scheen
Pilaar en beeld van de verwarring van
mijn zinnen
Van licht zich vormend tot het vocht
van mos en veen
Geboogd gebied dat mij de diepten laat
beminnen
Mag hier mijn oog beginnen
En eigen maken zich de waarheid van de
huid
De blik geleidt gevoel, het tasten lokt geluid